De Joodse Begraafplaats Den Helder

Voor 1790 waren er al Joden in Den helder, ze waren voornamelijk handelaren grotendeels afkomstig uit Amsterdam en Alkmaar.
In 1806 werd er een bescheiden pand gekocht aan de Jodensteeg, dit pand werd ingericht als Synagoge, dit was de eerste Synagoge van Den helder.
Na de aanleg van het Noord-Hollands kanaal 1824 bloeide de Joodse gemeente, vandaar dat op 8 september 1837 een welgevormde nieuwe Synagoge aan de Kanaalweg werd ingewijd,
nabij de Joodse begraafplaats, Huisduinen Den Helder.
Een eeuw later, 1927 werd de Synagoge vervangen door een nieuw gebouw aan de Kanaalweg


Bij Koninklijk besluit van 24 maart 1824 werd aan de Israëlitische gemeente een stuk domeingrond afgestaan. Het was gelegen aan de uitloper van de Grafelijkheidsduinen, Aan de oostzijde begrensd door de algemene begraafplaats, en ten noorden en westen door landbouwgrond van plaatselijke boeren.
In 1827 kon de begraafplaats in gebruik worden genomen, na dat een jaar van tevoren de grond werd ingewijd.
Met de toename van de Joodse bevolking ontstond er een gebrek aan ruimte. Na koninklijke goedkeuring wordt er een stuk duingrond van de heer Loopuyt gekocht, januari 1862.
Het Joodse begrafenisgenootschap Gemiloeth Chasodiem (liefdewerken) liet in 1936 op de begraafplaats een metaheerhuis (Hebreeuws Bet Tohora) bouwen onder architect J.J. van der Leek. Het metaheerhuis is bedoeld voor het ritueel reinigen van overledenen, voor de begraving wordt in het metaheerhuis een lijkrede uitgesproken daarna wordt de dode onder het opzeggen van bepaalde psalmen ten graven gedragen.
Er zijn nog ruim 200 zerken op de begraafplaats intact de oudste dateren van 1827, 1830 en 1840